Geef mij de
ziel!
Door
Yossy Goldman
De parasja
van deze week wordt verlevendigd met de komst van Avraham op het
Bijbels toneel. Onze aartsvader brengt nieuw leven in de wereld,
wanneer hij de boodschap van monotheïsme verspreidt in de tot dan
toe heidense samenleving. Hij toont ook zijn dapperheid als een
onversaagd vechter voor rechtvaardigheid en hij waagt zijn leven om
zijn neef, Lot, te redden wanneer die wordt gevangen genomen in de
wereldoorlog van die dagen.
Nadat Avraham zijn neef gered
had, dankte de koning van Sedom Avraham dat hij de andere
krijgsgevangenen ook bevrijd had – de soldaten van de koning. De
koning biedt Avraham de oorlosbuit aan, en vraagt alleen zijn mannen
terug: Teen li hanefesj, zegt hij – Geef mij de mensen en
houdt de buit voor jezelf.
Vijfentwintig jaar geleden hoorde
ik een krachtige en gepassioneerde oproep van mijn heilige mentor,
de Rebbe, gezegend is zijn aandenken. Het was Simchat Tora, de Jom
Tov waarop we in uitbundige vreugde gedenken dat we Tora gekregen
hebben. Hij had opgeroepen om met dezelfde uitbundige geestdrift,
dat wil zeggen, voorbij de normale remmingen van de dagelijkse
budgetaire beperkingen, tsaddaka – liefdadigheid – te
geven. Later verklaarde hij zijn oproep om één van de Teen li
hanefesj te zijn, hetgeen letterlijk betekent: „geef mij de
ziel.” Het was een speciaal moment en wat hij zijn volgelingen
vroeg, was een eerlijk uitstorten van de ziel, een oprechte
handeling van puur geloof en vertrouwen, voorbij de rede of voorbij
beperkingen van wat men zich kan verooloven. De Rebbe had opgeroepen
voor een totale, onvoorwaardelijke toezegging.
De oproep: Geef mij de ziel
klinkt nog na. En het is van toepassing op alles wat we doen. Wij
zijn samengesteld uit lichaam en ziel. Maar meestal krijgt ons
fysieke zelf al de aandacht, terwijl onze geestelijke kant
verwaarloosd wordt. Hoe vaak horen we niet Joden, en met name jonge
Joden, klagen dat Jodendom spirituele inhoud mist; dat hun synagogen
en tempels geen sfeer hebben en geen heiligheid uitstralen. En dan
klagen we erover dat zij naar de Himalaya trekken om daar hun doel
en de diepte te zoeken, die wij hen niet gegeven hebben.
Hoeveel Bar Mitswa- en
huwelijksfeesten worden gereduceerd tot lege omhulsels van
materialistische shows met vrienden en kennissen die zich verplicht
voelen elkaar te overtreffen in opzichtige extravaganties, die het
doel van de viering volkomen missen?
En G-d riep uit: „Geef Mij de
ziel!” Geef Mij terug wat van Mij is. Stop wat geest terug in
Jodendom. Genoeg van de Mickey Mouse routines en rituelen, de
liedjes en de dansjes. Stap uit al dat uiterlijke vertoon en
plastic. Geef me de ziel!
Wanneer ons geloof oppervlakkig
is, zien we er net zo dwaas uit als de pathetische dief die in de
Talmoed wordt beschreven: „De dief aan de ingang van de tunnel,
roept G-d om hulp.” Hij is een gannif, een minderwaardige
misdadiger, die op het punt staat de tunnel in te gaan, die hij
gegraven heeft om een bank binnen te komen, maar voordat hij erin
gaat, bidt hij tot G-d om succes. Wat een choetspa! Hij staat
op het punt het nadrukkelijke verbod van G-d op diefstal te
overtreden en vraagt dan of G-d hem daarbij wil helpen?!
Maar dat is het effect van de
oppervlakkigheid. Hij heeft geloof en vertrouwen, onze dief uit de
Talmoed. Het is alleen niet tot hem doorgedrongen. Omdat deze
oppervlakkige pseudo-godsdienstigheid niet tot zijn binnenste is
doorgedrongen, is hij zich heerlijk onbewust van de hypocrisie van
zijn gedrag. Wat is er mis met stelen en bidden tegelijkertijd?
De waarheid is dat wij allen
geloven, zelfs de dieven onder ons. De uitdaging is voor het muntje
om te vallen, opdat het geloof onze kern, onze zielen raakt. Laten
we gehoor geven aan de oproep: Teen li hanefesj – Geef mij de
ziel! Laten we trachten voorbij oppervlakkig Jodendom te komen en
iets dieper te reiken, iets diepzinnigs en reëels, dat onze zielen
raakt en onze kinderen inspireert.
õ
õ
õ
|