Vorige nummers

De Lantaarnopsteker (Bamidbar)

Verteld door Rabbi Josef Yitzchak Schneerson of Lubavitch

In 1907 bezocht Rabbi Sjolom DovBer van Lubavitch Würtzburg, Duitsland en de Chassidiem kwamen om met hun Rebbe de Sjabbat door te brengen. Eén van hen was Reb Josef Juzik Horowitz.

Na de Sjabbat-maaltijd vroeg Reb Juzik: „Rebbe, wat is eigenlijk een chassied?

De Rebbe antwoordde: „Een chassied is een lantaarnopsteker. Een lantaarnopsteker loopt door de straten men een lange stok, aan het eind waarvan een vlam brand. Hij weet dat de vlam niet van hem is, maar hij gaat van lantaarn naar lan­taarn en steekt ze aan.”

Vroeg Reb Juzik: „En als de lantaarn in de woestijn staat?” „Dan moet hij naar de woestijn gaan en hem aansteken” zei de Rebbe. „En wanneer men de lantaarn in de woestijn aansteekt, wordt de verlatenheid van de woestijn pas goed dui­de­lijk en de barre woestijn zal dan beschaamd zijn voor de brandende lamp.”

„En als de lamp in de zee staat?” „Dan kleedt men zich uit, neemt een duik in de zee en steekt de lantaarn aan.”

„Maar Rebbe, ik zie geen lampen.”

De Rebbe antwoordde: „Dat komt omdat je geen lantaarnopsteker bent.”

„Hoe wordt men lantaarnopsteker?”

„Gooi eerst al het slechte uit jezelf. Begin met jezelf: reinig jezelf, verfijn jezelf en dan zal je de lamp in je naaste zien. Wanneer iemand zelf grof is, dan ziet hij alleen grofheid. Maar wanneer iemand zelf verfijnd is, ziet hij de verfijning in een ander.”

ô ô ô ô ô ô

De lange stok

Door Yanki Tauber, gebaseerd op de leringen van de Lubavitcher Rebbe

Hier is het probleem: jij bent hier en je wilt daar zijn („daar” is ergens anders, waar het beter is, meer verheven, meer spiritueel dan „hier”). Maar je bent daar niet, en voorlopig zul je daar ook niet zijn, misschien zelfs nooit.

Dus gedraag je je alsof je daar al bent? Of vertel je jezelf dat het hier ook fijn is, wie hoeft daar te zijn?

Je kunt een hypocriet worden, of je kunt klaar komen met je eigen beperkingen. Maar er is een derde manier – de manier van de Lange Stok.

ô ô ô ô ô ô

In de voorkamer van de heichal (Heiligdom) in de Tempel stond de Menora – een ± 1.80 m. hoge gouden kandelaar met zeven armen. Iedere ochtend vulde een priester de zeven lampen van de Menora met de zuiverste olijfolie; ’s middags klom hij op een trapje met drie treden om de lampen aan te steken. De zeven lampen brandden de hele nacht door, een symbool van het G-ddelijke licht dat vanuit de Tempel de wereld in scheen.

In feite hoefde het helemaal geen Kohen [priester] te zijn die de lamp aansteekt – de wet zegt dat een gewone leek de mitswa ook kan doen. Maar er is ook een wet die de toegang tot het Heiligdom beperkt tot alleen de Kohaniem – gewone Israëlieten mochten niet verder komen dan de azara, de Tempel-binnenplaats.

Deze twee wetten vormen een paradox: een leek kan de Menora aansteken, maar op de plaats waar de Menora staat, in het Heiligdom, mag een leek niet komen

Er zijn wel technische oplossingen te bedenken: een leek kan de menora aansteken met behulp van een lange stok, of de menora kan door een kohen naar buiten gebracht worden waar de leek staat en daarna weer terug­geplaatst worden in het Heiligdom. Maar de inconsistentie blijft. Als de Tora bedoelt dat een gewoon mens in staat is de Menora aan te steken, waarom schrijft Tora dan niet voor dat de Menora geplaatst moet worden waar die leek erbij kan? En als de heiligheid van de Menora zodanig is dat hij in het Heiligdom moet staan, waarom staat Tora het dan toe dat iemand die daar niet bij kan komen, hem mag aansteken?

Deze paradox, zegt de Lubavitcher Rebbe, is opzettelijk zo door Tora bedoeld, ten einde aan ons een les te leren: de les van de lange stok.

De les van de lange stok zegt dat wij moeten streven naar grotere geestelijke hoogten, die buiten ons bereik liggen. Niet dat wij ons moeten voorstellen iemand te zijn die wij niet zijn – dat zou gelijk staan met een gewone mens die het Heiligdom zou binnengaan. Maar we moeten ook niet afzien van inspanningen om die plaats te bereiken. Zelfs al weten we, dat wijzelf nimmer „daar” zullen zijn, kunnen wij toch op die plaats handelingen uitvoeren, invloed hebben en zelfs het licht aansteken.


Soms betekent dit, dat iemand van een hogere plaats naar ons reikt. Soms betekent het dat wij een manier beden­ken om te bereiken wat nu buiten ons bereik ligt. In beide gevallen zijn wij wat Rabbi Sjolom DovBer een „lantaaropsteker” noemde: iemand met een lange stok met een vlam aan het eind en die van lamp tot lamp gaat en hem aansteekt. Geen lamp is te hoog of te ver weg voor de lantaaropsteker en zijn lange stok.